|
|
||||
Uitvinding en ontwikkeling van het wiel |
||||
| Maart 2004 | ||||
Ontstaan en ontwikkeling van "het Wiel".![]() Het wiel is zo'n 5000 jaar oud en dat lijkt heel wat. Als je echter bedenkt dat al 7000 jaar geleden landbouw werd toegepast, is het toch een relatief jonge uitvinding. Over de ontdekking of het ontstaan van het wiel kan men slechts speculeren. De oudste aanwijzingen over het gebruik van het wiel zijn te vinden op rollen uit het Sumerische Uruk daterend van zo'n 3200 tot 3100 v. Cr. Hiervandaan heeft het wiel zich verspreid over Europa, Azië en Noord-Afrika. De eerste historische gegevens over het wiel komen vanuit het Euraziatische continent. Hier werd het rund al eeuwen voor de ploeg gespannen en na de invoering van het wiel werd het dier dus ook voor de kar gespannen. De eerste voertuigen die gebruikt werden waren 4-wielig en de wielen hadden meewentelende assen. De houten schijfwielen werden vermoedelijk gemaakt van plakken boomstam. De eerste ontwikkeling van het wiel richtte zich vooral op het verstevigen van de constructie en het verminderen van de slijtage van het loopvlak. De oudste resten van wielen komen uit Mesopotamië. De gevonden wielen bestonden meestal uit 3 planken, zoals ze ook nog gebruikt werden in het Europa van de 20ste eeuw (boerenkarren). Overblijfselen van 2-wielige wagens zijn opgegraven in 1928 en het betrof wagens die gebruikt waren in de Sumerische stad Kish zo'n 2600 jaar geleden. De wagens hadden een bescheiden afmeting, een ronde, met koperwerk beslagen achterkant, een disselboom van ca. 3 meter en het chassis had vreemde zijbeugels. De wielen hadden een diameter van 50 cm. en de loopvlakken waren beschermd door 55 scheef ingeslagen koperen spijkers. Een ander bewaard gebleven bewijs van een 4-span is het bronzen beeldje van Tell Agrab uit ca. 3000 v. C. De wielen werden gevormd door 3 planken die met bindsels aan elkaar zijn gesnoerd. De as draaide in beugels die onder de kar waren aangebracht. Onder het juk dat aan de disselboom was bevestigd werden alleen de binnenste 2 dieren gespannen. Dit waren Afrikaanse ezels die gemend werden met leidsels die door de neusring liepen. Het verschil tussen meewentelende assen en wielen die om de as draaien, is de smering. Een meewentelende as is niet goed te smeren. Wielen uitgerust met naven die om de as heendraaien geven echter goed lopende kokerbussen die het smeermiddel goed vasthouden. Terugkijkend in de geschiedenis kan men dus 3 wieltypen onderscheiden: a. het drieplankswiel dat vooral aangetroffen werd in het gebied tussen de Kaspische en de Zwarte Zee b. het meerplankswiel dat vooral in Zwitserland werd aangetroffen c. het eenplankswiel dat gebruikt werd in Nederland, Duitsland, Polen en Denemarken Eenplanks schijfwielen waren voorzien van naven die wentelden om de as. De gevaarlijkste belasting voor het wiel is het koppel dat probeert het wiel stuk te wringen. De oplossing was het aanbrengen van een aparte naaf waarvan de draad van het hout in axiale richting liep. Hierbij loopt de draadrichting evenwijdig aan de as van het wiel. Dit in tegenstelling tot de planaire draad waarbij de draadrichting loodrecht op de as staat. Eenplankswielen zijn o.a. opgegraven in het Noord-duitse Oldenburg en dateren van ca. 1165 tot 140 v.C. Vanuit het 3-plankswiel ontwikkelde zich geleidelijk een kruis- of H wiel, door openingen te maken in het wiel. Het loopvlak werd beschermd met recht ingeslagen koperen spijkers. Een zeldzame vondst betreft een wiel met koperen segmenten als bescherming van het loopvlak. Een kostbare en kwetsbare manier van bescherming. Door de uitsparingen werd het wiel lichter. Bij het préhistorische kruisbalkwiel gebruikte men meestal één zware hoofdspaak waarin men de andere naven plaatste. Hierdoor werd de hoofdnaaf nogal verzwakt, wat dan weer tot breuk in de hoofdnaaf leidde. Vanuit de kruis- of H-wielen ontstonden de spaakwielen. Het oorspronkelijk spaakwiel had echter een beperkte levensduur omdat de naven tijdens het rijden in de uiteinden pompten. Om dit te voorkomen moest er een "vóórspanning" op het wiel komen die beweging van de naven verhinderde. Aldus ontstond de ijzeren hoepelvelgband die in verhitte toestand om het wiel werd gelegd. Tijdens het afkoelen krimpt de band en perst daarmee de spaken en velgdelen samen. Hieruit blijkt dat de beschermende functie van de ijzeren velg dus een bijkomende factor is. Hoofdzaak is het vóórspannen van het wiel. |
||||