|
Het ligt in onze bedoeling regelmatig een type rijtuig onder de loupe te nemen.
We hebben gemerkt bij het snuffelen in oude boeken; boeken van gezaghebbenden op het gebied van oude rijtuigen en via surfen op het web dat er nogal wat tegenstrijdigheden op te merken zijn in hetgeen de kenners op het gebied van oude koetsen beweren. Aangezien wij van Mensport.net de wijsheid zeker niet in pacht hebben citeren we, daar waar mogelijk met bronvermelding, wat er zoal door de deskundigen over een bepaald type rijtuig werd en wordt beweerd.
.
|
.
|
Landauer
Volgens H.B.Vos in "Rijtuigen" 1961.
De naam is ontleend aan het Duitse Landau, waar het eerste exemplaar gebouwd zou zijn. Rijtuigen van het type "Landauer" reden al in de eerste helft van de 18de eeuw, vooral als reiswagen in de zomer. In de 19de eeuw werden ze erg populair. De wagens met een vloeiend gebogen lijn noemt men naar de ontwerper Sefton: Sefton landauers; de wagens met een hoekig silhouet: Shelbourne landauers. De uitvoering met ramen en een half dak i.p.v. de leren voorkap noemt men glaslandauers of berlin-landauers. De kap en ramen kan men via een ingenieus systeem opvouwen onder de bok. De Landaulette is een coupé uitvoering van de Landauer voor 2 personen.
a
|

|
E.A.L. Quadekker schrijft in het 3de deel van zijn naslagwerk "Het Paardenboek" (eerste druk 1905):
De elegante landauer is het meest geschikte rijtuig voor plezierritten. Een
landauer moet licht zijn en zó goed geveerd dat het rijtuig reeds door de druk van een hand in schommeling gebracht kan worden.
De kast zowel als het onderstel worden "gewoonlijk" donker geschilderd bijv. in olijfgroen en met zwart afgezet. Het wapen of monogram wordt in éénkleurige camee-stijl opgeschilderd. Het voordeel van de landauer is dat hij bij elk weertype gereden kan worden omdat men bij de eerste regendruppels slechts de kap op hoefde te zetten om weer droog te zitten. De Landauer "á huit ressort" heeft een ronde vorm en rust op C-veren. Deze aanspanning wordt á la Daumont gereden d.w.z. met 4 paarden waarvan de twee bijdehandse paarden ( dus de paarden die vanaf de bok gezien links staan) onder het zadel gereden worden. Deze paarden zijn opgetoomd als rijpaarden en hebben geen opzetteugels. De vandehandse paarden (van de bok af gezien de rechter paarden) hebben wél een opzetteugel en zijn rechts voorzien van een bijzetteugel en links van een losse teugel. De verbinding tussen de voor- en achterpaarden wordt gevormd door de strengen van de vóórpaarden met een gesp te bevestigen aan de strengen van de achterpaarden. De koetsiersbok vervalt bij een dergelijke wijze van rijden.
a
|

|
Het Nationaal Rijtuigmuseum te Leek heeft een behoorlijk aantal Landauers uit de periode van 1870 tot 1900, de periode waarin dit type populair was als rijtuig voor de notabelen.
Ellen Micheletti op HYPERLINK "http://www.likesbooks.com/carriages.html":
De Landauer is de Lincoln Continental onder de rijtuigen. Het heeft wat van een
Barouche in die zin dat er 4 passagiers kunnen plaatsnemen en dat het getrokken wordt door 4 paarden. De Landauer heeft echter twee neerklapbare kappen die in gesloten toestand alle 4 de passagiers tegen de regen beschermden en in open toestand een prachtig uitzicht aan alle inzittenden bood. Dit was het rijtuig voor een ritje door het park waarbij je niet alleen je mooie kleding en juwelen uitgebreid kon tonen maar vooral kon laten zien dat je je zo'n luxe rijtuig kon veroorloven.
Transportation in the 19th Century schrijft op HYPERLINK "http://www.literary-liaisons.com/article033.html"
De Landauer is een open, trendy rijtuig op 4 wielen, met aan beide zijden een kap en twee zitbankjes tegenover elkaar. Het was populair in de 1ste helft van de 19de eeuw. De Landauer werd door 2 paarden getrokken.
G. Ipenburg schrijft in zijn boek: "Rijtuigen op het spoor" uit 1985:
Er heerst verdeeldheid over de herkomst van de naam "Landauer". Er zijn vermoedens dat het is genoemd naar de Duitse plaats
landau waar in 1840 het eerste rijtuig werd gebouwd met een kap die open- en dicht geklapt kon worden. Er zijn echter ook aanwijzingen dat de naam in verband gebracht moet worden met de Engelse rijtuigbouwer Landow. Het rijtuig is van grote kwaliteit. Het vernuftige systeem waarmee de kap weggeklapt kan worden is mede een reden voor de grote populariteit hede ten dage. In het natte Nederlandse klimaat was dit een buitengewoon geschikt rijtuig. De meest voorkomende types zijn de vierkante landauer ( v.a. 1880. Mad), de schuitlandauer ( v.a. 1860 mad) en de glaslandauer. De
glaslandauer kenmerkt zich door een vaste kap met glazen ramen. De schuitlandauer is het oudste type. In het begin waren de wielen voorzien van ijzerbeslag dat echter na de uitvinding van rubberbeslag ( ca. 1880 Mad.)steeds meer vervangen werd door rubber. Opmerkelijk zijn de diepe velgen. Op de buitenplaatsen reed men de landauer uitsluitend met twee paarden vergezeld van koetsier en palfrenier. Slechts bij bijzondere gelegenheden werd achterop een extra sta- of zitplaats aangebracht. Als men de schuitlandauer voorzag van een afneembare bok en een vierspan ervoor zette, reed men á la Daumont, een nieuwe wijze van rijden die door Duc Daumont in 1814-1830 met zijn caléche was geïntroduceerd.
Deze stijl van rijden zag men ook wel bij de berline, de barouche en de sociable. Wanneer er 2 paarden voor de wagen werden gespannen en het linkerpaard werd onder het zadel gereden, dan spreekt men van "demi-daumont".
.
|
|
Bron onbekend:
De eerste rijtuigen van het type landauer verschenen rond 1790. Het verschil tussen de landauer en de gewone "coach" lag in het feit dat de landauer kappen had die neergelaten kunnen worden. Een tekening laat zien dat een mailcoach uit 1789 dezelfde vorm had, alleen was er sprake van een vaste kapconstructie.
a
De landauer heeft twee kappen die naar voren en naar achteren open gaan, zo ontstaat een open rijtuig geschikt voor rijtoeren en zomertochten. Gaat het plotseling regenen dan kunnen de kappen dicht. Er zitten alleen ramen in de portieren, die men met een leren riem naar beneden kan laten zakken. Omdat de landauer hierdoor nogal donker was als men met gesloten kappen reed, heeft men de glaslandauer ontworpen. Hierbij is de voorste kap vervangen door een constructie van ramen in houten lijsten die met scharnieren onder de bok inklapbaar zijn. Vaak blijft het voorste deel omhoog als bescherming tegen de wind.
a
In "highligts of the 19th century" lezen we:
Hoewel tot dan toe staatslieden altijd gebruik maakten van een gesloten rijtuig werd er een open staatsierijtuig gebouwd in 1825 voor de kroning van Carolina Augusta, de 4de vrouw van keizer Francis.De landauer was een van de meest elegante rijtuigen van de 19de eeuw. Een landauer van dit type was al eerder gebruikt bij de kroning van haar voorgangster Maria Ludovica in 1808.
Voor Carolina Augusta werd een schitterend nieuw exemplaar gebouwd met versierselen die het onderscheidde van alle andere keizerlijke landauers. De Langwied langboom met zwanehalzen en C-veren, de gouden decoratie op carosserie en het luxe zwartfluwelen interieur gaven de hoge status van het rijtuig weer.
De koets werd getrokken door 8 paarden en pas 5 jaar later weer gebruikt voor de kroning vande Hongaarse koning Ferdinand. De keizer en keizering reden in de landauer terwijl de kersverse koning te paard zat. Pas in 1916 werd het rijtuig weer ingezet bij de kroning van keizer Karel in Budapest. Er stonden 6 Lippizaners met fluwelen tuigen voor gespannen.
De website van Volkswagen vermeldt ook nog wat over de landauer:
Rond 1900 maakte Wilhelm Karmann zijn eerste rijtuig. Dit model, de landauer, werd gefabriceerd in de werkplaats in Osnabrück. In de jaren daarna werden vele rijtuigen geproduceerd. Vanaf het moment dat Wilhelm Karmann de eerste auto's ziet is hij niet meer te houden.Hij besluit zich volledig op de ombouw van auto's te richten.
Een leuk stukje nostalgie lezen wij op de website van www.home.zonnet.nl/leeuwen450/verhaal.htm
Een bron van bijverdienste
hadden wij in de persoon van de "halfjesmeneer" uit de Nieuwe Plantage, soms ging deze heer in de middag uit rijden en dan werd hij opgehaald met een open rijtuig (landauer).
Op afstand stonden wij al te wachten en dat vond die koetsier nooit leuk.
Als het rijtuig vertrok dan renden wij er achteraan en gingen aan de achterkant op de ijzeren beugel zitten.
Normaal was dat gevaarlijk voor een zweepslag van de koetsier, maar nu was hij machteloos omdat de "halfjesmeneer" in het rijtuig zat en dan kon hij de zweep niet gebruiken zonder dat zijn dure klant gevaar liep.
Een oud spreekwoord zegt: "met geld doe je wonderen, en als je het niet hebt is het donderen" en die "halfjesmeneer" maakte daar gebruik van.
Voor ons gevoel had hij een schier onuitputtelijke voorraad halve centen en als dan onze stoet achter dat rijtuig te groot werd naar zijn zin nam hij een handvol van de halfjes en gooide ze over de achterkap van het rijtuig op de straat.
Dat was voor ons de mogelijkheid om je kapitaal te vergroten en op straat was het dan een zoekende kluwen kinderen en de rit verliep verder ongestoord.
Met de verkregen halfjes gingen wij naar vrouw Trijn op de Geerweg en beproefden daar ons geluk in haar snoepcasino.
Er stond daar een tafel met een wijzer die na een tikje in het rond draaide binnen een cirkel van snoep, polkabrokken, duimdrop, zoethout enz., maar de hoofdprijs was een nougatblok van drie centen en als je dat voor je halve cent won dan was je een rijkaard.
a
|

|
|