|
Land van herkomst
Oostenrijkse en Beierse
Alpen.
De kleuren :
De meestvoorkomende kleuren
zijn donkerbruin,zwart en vos met weinig aftekeningen.De vroeger vrij
algemene tijgerharige paarden worden zeldzamer.
Stokmaat : Ongeveer
1,60meter.
Zo'n
50 % van alle paarden in Oostenrijk behoort tot het oersterke Noriker
koudbloedras.
Elke Oostenrijkse boer heeft één of meerdere Norikers en 's winters
staan ze broederlijk tussen de koeien op stal. Ze gebruiken deze paarden
om hout te slepen, toeristen rond te rijden en mee te pronken op
oogstfeesten. In Oostenrijk geniet het dier de status van 'beschermd ras'
en dat levert de fokkers en fokpremie op.
Origine
:
De Noriker dankt zijn naam aan de voormalige Romeinse provincie
Noricum, gelegen in het huidige Oostenrijk. Het is een gebied met veel
bergpassen en de Romeinen doorkruisten het veelvuldig met strijdrossen en
trekpaarden. De Romeinen richtten er overal stoeterijen op.
Noricum grensde in het zuiden aan het gebied van de Veneten. Dit
Keltisch volk fokte kleine, stevig gebouwde bergpaardjes, die ook aan de
basis staan van de Haflinger. De Noriker is waarschijnlijk ontstaan door
kruisingen van de zware Romeinse hengsten met deze bergpaardjes. Het
resultaat was een middelgrote koudbloed, die uitermate geschikt was voor
het zware werk in de bergen.
Kenmerken
:
De Noriker is een middelgrote koudbloed; zijn stokmaat ligt tussen de
1.57m en de 1.65m. en weegt tussen de 700 en 750 kg. Het dier heeft
een groot, droog hoofd met levendige ogen, die adel uitstralen. De korte
gespierde hals is getooid met een weelderige bos manen. Borst, schouder en
achterhand zijn ruim en gespierd. Het beenwerk is krachtig en droog met
weinig behang. Zoals alle bergpaarden is de Noriker wendbaar, tredzeker en
heeft het dier een uitstekend evenwichtsvermogen. De hoeven zijn breed en
uitzonderlijk hard, de gangen ruim en het temperament goedmoedig.
Fokkerij
:
In 1903 werd het Noriker stamboek opgericht waarin alle bloed- en
kleurlijnen zijn verenigd.
Men onderscheidt 2 typen: de zwaargebouwde Pinzgauer-Noriker en de
lichtere Oberländer, die pas later werd opgenomen in het Noriker
Stamboek. De afstammelingen van de Oberländers die zich nu nog in
Duitsland bevinden, werden door de Duitsers omgedoopt tot 'Sûd-deutsches
Kaltblut'. Alleen kenners zien het verschil tussen de Noriker en de ietwat
lichter gebouwde Zuid-Duitse koudbloed. Bovendien zijn Zuid-Duitse
koudbloeden jarenlang ingefokt in de Norikers, dus er zijn meer
overeenkomsten dan verschillen.
Omdat er zoveel verschillende typen Norikers zijn, zijn ze voor de
buitenstaanders alleen met zekerheid te herkennen aan hun brandmerk: de
Edelweiss bloem met de N, op de linkerbil en een letter die aangeeft uit
welk fokgebied ze komen, de P staat voor Pinzgau, de T voor Tirol. Zodra
de merries in het stamboek worden opgenomen krijgen ze een brandmerk op de
linkerschouder.
Elk jaar koopt het stamboek ongeveer 60 hengstveulens. Deze worden
Spartaans opgevoed, zowel lichamelijk als geestelijk en dus vallen er
jaarlijks ongeveer 20 veulens af. Na 3 seizoenen zijn er nog 15 over en
deze worden verdeeld over alle fokgebieden. In het voorjaar fungeren ze
als dekhengsten. In de zomer 'ge-almd', dit wil zeggen ze gaan dan weer
als kudde naar de bergweiden. Elke zomer wordt de rangorde dus weer
opnieuw bepaald. Dat gaat er ruig aan toe, maar het is goed voor het
sociaal gevoel. Ze leven er tussen de 300 en 2.500m. waar de temperaturen
schommelen tussen de +30° en -25° Celsius, soms valt er zelfs sneeuw in
de zomer en het gras is er niet bepaald voedzaam. De meesten overleven de
alm-zomer letterlijk met glans.
Norikers zijn er in alle kleurvariaties. Vooral de koolvos, met het
donkere lijf en de contrasterende lichtere staart en mannen, is een
opvallende verschijning. Minstens zo in het oog lopende verschijning is de
Pinzgau-Noriker, een gespikkeld paard, dat veel weg heeft van een
Appaloosa. Deze variant uit het district Pinzgau heeft zijn kleurpatroon
te danken aan kruisingen met Spaanse paarden. Voor de 2° wereldoorlog
werd de Noriker hoofdzakelijk als middelgroot landbouw- en boomsleeppaard
gefokt. Na de oorlog, toen de motorisatie ook in Oostenrijk zijn intrede
had gedaan, nam het aantal af tot een kleine 9.000. De regering is toen
fokpremies gaan toekennen.
Gebruik
:
Een
echt werkpaard zal de Noriker altijd blijven. Er was en er is in de bergen
nog steeds geen beter vervoer- en transportdier dan dit ras. Met de
opkomst van het toerisme en de groeiende interesse in sport- en
recreatiepaarden, blijft het aantal Norikers gestaag toenemen.
De
huidige Noriker is mede dankzij zijn zachtaardige karakter en zijn koele
hoofd een populair veelzijdigheidspaard dat uitmunt in betrouwbaarheid en
werklust. Western rijden, aangespannen rijden voor de kar, de slede of de
bierwagen, boomslepen, ploegen, oogsten, dressuur en recreatief rijden, de
Noriker vindt het allemaal best. Een familiepaard van top tot teen, een
paard met toekomst.
Als
menpaard is de Noriker verrassend wendbaar, erg betrouwbaar, verkeersmak
en voorwaarts. Van nature reageren ze heel goed op de stem, een eigenschap
die ze gemeen hebben met andere boomsleeppaarden. Als rijpaard zijn ze
evenzeer supergeschikt. Het hele gezin kan er dagen mee op tocht, ze
worden nooit moe. Ze zijn betrouwbaar in alle situaties, zijn berensterk
en willen graag werken.
In
de Oostenrijkse Alpen vormen kruiden een belangrijk onderdeel van het
Noriker menu, dat verder bestaat uit gras en hooi dat veel minder voedzaam
is dan bij ons. Daarom moet een Noriker zo sober mogelijk worden
gevoed.
|
|