Hoefijzers |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maart 2004 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Paard en hoefijzer. ![]() Als een paard een gewicht moet trekken gaat hij, net als een mens, voorover hangen om alsnog het gewicht gelijkelijk over zijn 4 benen te verdelen. Zonder vracht ligt het zwaartepunt van een paard op 1/3 van de afstand tussen vóór- en achterbenen (gemeten vanaf het voorbeen). De voorbenen dragen 2/3 en de achterbenen 1/3 van het lichaamsgewicht. Het lichaamsgewicht wijst van het zwaartepunt naar een punt iets achter de vóórhoeven. Als het paard een kracht moet trekken zal hij "naar voren leunen" om dezelfde verdeling van het lichaamsgewicht te behouden. Hoe groter de trekkracht hoe groter de druk óp en slijtage van de hoeven. Daar waar dus meer van de aanspanning gevergd werd, qua trekkracht of snelheid, moesten dus ook de hoeven op een of andere wijze beschermd worden. "Een goed paard is zo goed als zijn hoeven" luidt een Engels spreekwoord. Vooral in de meer noordelijke europese landen ontstond de behoefte aan hoefbeslag. In een vochtig klimaat wordt de paardehoef sneller week en slijt dus sneller. Voor runderen geldt dit in mindere mate, hoewel er ook trek-ossen zijn geweest die van hoefbeslag werden voorzien. Uit opgravingen blijkt dat er al in de 4de eeuw hoefijzers bekend waren. Deze waren zeer kostbaar omdat ijzer tot de 12de eeuw een zeer kostbaar metaal was. De hoefijzers werden daarom alleen voor militaire doeleinden gebruikt. Naast de genagelde hoefijzers was onder de Romeinen ook de ijzeren paardeschoen of solea, algemeen aangeduid als hipposandaal, bekend. In 1901 heeft de Franse cavallerie-overste Noëttes deze hipposandaal aan de praktijk getoetst. Het bleek dat de paardehoef er inderdaad door beschermd werd. Nadeel was echter dat het paard ze alleen stapvoets kon gebruiken want bij draven en galopperen schoten ze los. Keizer Leo de VIde leefde van 886 tot 912 en hij beschreef in een werk over oorlogsvoering hoefijzers en nagels die heel erg veel lijken op de hoefijzers en nagels uit onze tijd. Het enige verschil is het gewicht. De ijzers uit de tijd van keizer Leo wogen tussen de 200 en 250 gram, aanzienlijk lichter dan de ijzers van nu. Bij de hoefnagel zijn materiaalkeuze en vorm van groot belang. Ze worden van hetzelfde materiaal gemaakt als het hoefijzer waardoor ze in gelijke mate slijten. De horizontale kracht waarbij het hoefijzer over het wegdek begint te slippen is de wrijvingskracht. Op een vlakke verharde weg is deze bepalend voor de trekkracht die het paard kan opbrengen. Toen in het begin van de 19de eeuw een compleet netwerk van verharde wegen Europa doorkruiste werd dit gegeven temeer actueel daar de paarden moesten concurreren met de opkomende spoorwegen. Ze moesten uit economische noodzaak steeds zwaardere lasten torsen, tot wel zo'n 1500 kg per paard. De wrijvingskracht werd vergroot door het gewicht van het paard aan de voorkant kunstmatig te verhogen met een verzwaard gareel. Dit verzwaarde gareel, dat wel rond de 80 kilo kon wegen, is ca. 60 jaar in gebruik gebleven. Het putte de paarden echter uit en rond de eeuwwisseling verdween deze "techniek" ; mede doordat de spoorwegen de strijd inmiddels hadden gewonnen. De nuttige last per paard werd weer teruggebracht tot ca. 750 kilo. .
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||